tog

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Et tog.
Een trein.

Inhoud

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • tog

Werkwoord

tog

  1. verleden tijd van tage

Zelfstandig naamwoord

tog o

  1. (verkeer) trein


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • tog
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig van het Duitse woord Zug.
  • [B] Afkomstig van het Nederduitse woord toch.
Naar frequentie 817

Zelfstandig naamwoord

[A] tog o

  1. (verkeer) trein
    «Selv de fjerneste egne i Danmark er forbundet med skinner, og danske tog betyder hurtig og behagelig transport mellem regionerne.»
    Zelfs de meest afgelegen gebieden in Denemarken zijn verbonden door rails en Deense treinen zorgen voor een snel en comfortabel vervoer tussen de regio's.
Verbuiging
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] tog o

  1. stoet, optocht, tocht
    «Studentene gikk i tog til Stortinget.»
    De studenten gingen in een stoet naar het Parlement Stortinget.
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • tog
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig van het Duitse woord Zug.
  • [B] Afkomstig van het Nederduitse woord toch.

Zelfstandig naamwoord

[A] tog o

  1. (verkeer) trein
    «Kvar dag reiser 18,5 millionar menneske med tog i India.»
    Elke dag reizen 18,5 miljoen mensen in India per trein.
Verbuiging
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] tog o

  1. stoet, optocht, tocht
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen