bouwen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
bouwen bouwend
bouw gebouwd
gebouw
bouwsel
bouwer
Uitspraak
Woordafbreking
  • bou·wen

Werkwoord

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bouwen
bouwde
gebouwd
zwak -d volledig

bouwen

  1. (overgankelijk) een constructie oprichten door het samenvoegen van onderdelen.
    Dit kasteel werd in de dertiende eeuw gebouwd.
  2. (inergatief) ~+ op zich verlaten op.
    Iemand waarop je kunt bouwen is een betrouwbaar persoon.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
Verwante begrippen
Persoonlijke instellingen