stapel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sta·pel
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | stapel | stapels |
| verkleinwoord | stapeltje | stapeltjes |
Zelfstandig naamwoord
stapel m
- een gestructureerde hoop spullen
- Er ligt een stapel boeken op tafel.
- (scheepvaart) de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
- Het schip zal volgende maand van stapel lopen.
- (muziek) een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
- De plaatsing van de stapel van een viool is van essentieel belang voor de klank van het instrument.
Afgeleide begrippen
- [1] rundveestapel, stapelgek, veestapel
- [2] stapelloop, stapelblok,
Verwante begrippen
Vertalingen
1. een gestructureerde hoop spullen
2. de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
3. een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| stapelen |
stapel