stapelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sta·pe·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| stapelen |
stapelde |
gestapeld |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
stapelen
- (overgankelijk) boven op elkaar leggen
- Het hout werd keurig gestapeld.