spreken

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spre·ken
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
spreken sprekend
gesprek gesproken
spraak
spreuk
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
spreken
ˈsprekə(n)
sprak
sprɑk
gesproken
ɣə'sprokə(n)
klasse 4 volledig

Werkwoord

spreken

  1. zich met behulp van de stem uiten.
    Hij sprak heel zachtjes.
  2. ~ over een bepaald onderwerp aansnijden.
    Hij sprak daar met geen woord over.
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen