praten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pra·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: praten
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: prate, prattle, Fries: prate
Noord: Zweeds: prata, Deens: prate
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
praten
praatte
gepraat
zwak -t volledig

Werkwoord

praten

  1. (inergatief) zich met behulp van de stem uiten
    Hij bleef maar praten over het uitje naar Terschelling.
Synoniemen
Anagrammen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Noors

Woordafbreking
  • pra·ten
Naar frequentie 9522

Zelfstandig naamwoord

praten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van prat
Schrijfwijzen


Nynorsk

Woordafbreking
  • pra·ten

Zelfstandig naamwoord

praten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van prat