game
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- game
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | game | games |
| verkleinwoord | gamepje | gamepjes |
Zelfstandig naamwoord
game m
- (sport) een onderdeel van een wedstrijd
- Diegene die de meeste games wint, is doorgaans de winnaar van de wedstrijd.
- een videospel
Vertalingen
2. een videospel
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| gamen |
game
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gamen
- Ik game.
- gebiedende wijs van gamen
- Game!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gamen
- Game je?
- aanvoegende wijs van gamen
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| game | games |
Zelfstandig naamwoord
game