slip

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een slip.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slip
enkelvoud meervoud
naamwoord slip slips
verkleinwoord slipje slipjes

Zelfstandig naamwoord

[A] slip m

  1. (kleding) kort, strak onderbroekje zonder pijpen
    In dezelfde lijn zijn eveneens een klassieke beugelbeha, een bustier met couture-look, een slip en een string verkrijgbaar.
  2. een afrekening
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

[B] slip v/m

  1. punt van een stof die naar beneden hangt
  2. drukproef op stroken, nog niet in de vorm van bladzijden
  3. slingering
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: in een slip raken
(van een auto of motor) slippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
slippen

slip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slippen
    Ik slip.
  2. gebiedende wijs van slippen
    Slip!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slippen
    Slip je?

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
slip slips

Zelfstandig naamwoord

slip

  1. uitglijding
  2. vergissing
vervoeging
onbepaalde wijs to slip
he/she/it slips
verleden tijd slipped
voltooid
deelwoord
slipped
onvoltooid
deelwoord
slipping
gebiedende wijs slip

Werkwoord

slip

  1. uitglijden
  2. glijden