slip
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- slip
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | slip | slips |
| verkleinwoord | slipje | slipjes |
Zelfstandig naamwoord
[A] slip m
- (kleding) kort, strak onderbroekje zonder pijpen
- In dezelfde lijn zijn eveneens een klassieke beugelbeha, een bustier met couture-look, een slip en een string verkrijgbaar.
- een afrekening
Synoniemen
- [1]: onderbroek
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. kort, strak onderbroekje zonder pijpen
Zelfstandig naamwoord
- punt van een stof die naar beneden hangt
- drukproef op stroken, nog niet in de vorm van bladzijden
- slingering
Uitdrukkingen en gezegden
- [3]: in een slip raken
(van een auto of motor) slippen
Vertalingen
1. punt van een stof die naar beneden hangt
in een slip raken
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| slippen |
slip
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slippen
- Ik slip.
- gebiedende wijs van slippen
- Slip!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van slippen
- Slip je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Engels
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| slip | slips |
Zelfstandig naamwoord
slip
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to slip |
| he/she/it | slips |
| verleden tijd | slipped |
| voltooid deelwoord |
slipped |
| onvoltooid deelwoord |
slipping |
| gebiedende wijs | slip |
Werkwoord
slip