slippen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slip·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
slippen
slipte
geslipt
zwak -t volledig

Werkwoord

slippen

  1. (ergatief) wegglijden
    Het ijsblokje slipte uit zijn hand.
  2. (ergatief) door gladheid over de weg schuiven
    De auto slipte over de weg.
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Deens

Woordafbreking
  • slip·pen

Zelfstandig naamwoord

slippen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van slip

Zelfstandig naamwoord

slippen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van slippe