rijkdom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rijk·dom
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van rijk met het achtervoegsel -dom.
enkelvoud meervoud
naamwoord rijkdom rijkdommen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

rijkdom m

  1. het bezitten van veel geld en goud
    Hij leefde in grote rijkdom.
  2. het bezitten van andere waarden zoals geluk
    Hij had niet veel geld, maar beschouwde zijn gezin en zijn gezondheid als rijkdom.
  3. gewoonlijk meervoud de bezittingen die iemand rijk maken
    De rijkdommen die hij daar te zien kreeg, verbijsterden hem.
Vertalingen