rijkdom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rijk·dom
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rijkdom | rijkdommen |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
rijkdom m
- het bezitten van veel geld en goud
- Hij leefde in grote rijkdom.
- het bezitten van andere waarden zoals geluk
- Hij had niet veel geld, maar beschouwde zijn gezin en zijn gezondheid als rijkdom.
- gewoonlijk meervoud de bezittingen die iemand rijk maken
- De rijkdommen die hij daar te zien kreeg, verbijsterden hem.