overvloed
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | overvloed | |
| verkleinwoord |
Woordafbreking
- over·vloed
Zelfstandig naamwoord
overvloed
- het voorhanden zijn van meer dan voldoende van iets.
- Er was een overvloed van aardbeien dat jaar.