vermogen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·mo·gen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van mogen met het voorvoegsel ver-
enkelvoud meervoud
naamwoord vermogen vermogens
verkleinwoord (vermogentje) (vermogentjes)

Zelfstandig naamwoord

vermogen o

  1. (financieel) een kapitaal aan geld -> bezit, bezitting, eigendom
    De buurman heeft een flink vermogen.
  2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen, capaciteit
    Hij heeft niet het vermogen om leiding te geven aan die groep.
  3. (natuurkunde) de hoeveelheid verrichte arbeid per tijdseenheid, uitgedrukt in de SI-eenheid Watt
Synoniemen
Hyponiemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vermogen
vermocht
vermogen
onregelmatig volledig

Werkwoord

vermogen

  1. (absoluut) in staat zijn iets te bewerkstelligen
    Tegen dat virus hebben we nooit veel vermogen, maar met die nieuwe vaccinatieresultaten komt daar mogelijk verandering in.
Opmerkingen
  • Er is geen onpersoonlijke lijdende vorm.