vermogen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ver·mo·gen
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vermogen | vermogens |
| verkleinwoord | (vermogentje) | (vermogentjes) |
Zelfstandig naamwoord
vermogen o
- (financieel) een kapitaal aan geld
- De buurman heeft een flink vermogen.
- de kwaliteiten om iets te kunnen doen
- Hij heeft niet het vermogen om leiding te geven aan die groep.
- (natuurkunde) de hoeveelheid verrichte arbeid per tijdseenheid, uitgedrukt in de SI-eenheid Watt
Synoniemen
- [2] bekwaamheid, competentie, potentieel
Hyponiemen
- [3] lampvermogen
Vertalingen
2. de kwaliteiten om iets te kunnen doen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| vermogen |
vermocht |
vermogen |
| onregelmatig | volledig | |
Werkwoord
vermogen
- (inergatief) in staat zijn iets te bewerkstelligen
- Tegen dat virus hebben we nooit veel vermogen, maar met die nieuwe vaccinatieresultaten komt daar mogelijk verandering in.
Opmerkingen
- Er is geen onpersoonlijke lijdende vorm.