rijk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: rijk (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /rɛɪ̯k/, /ræɪ̯k/
- (Vlaanderen, Brabant): /rɛːk/
- (Limburg): /rɛɪ̯k/
Woordafbreking
- rijk
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | rijk | rijker | rijkst |
| verbogen | rijke | rijkere | rijkste |
Bijvoeglijk naamwoord
rijk
- (persoon) veel geld en/of eigendommen hebbend
- overvloedig.
- uitgebreid, veelomvattend
Antoniemen
Vertalingen
1. veel geld en/of eigendommen hebbend
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | rijk | rijken |
| verkleinwoord | rijkje | rijkjes |
Zelfstandig naamwoord
rijk o
- een staat of natie onder een vorst of heerser
Vertalingen
1. een staat of natie onder een vorst of heerser
Afgeleide begrippen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.