akkoord
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ak·koord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | akkoord | akkoorden |
| verkleinwoord | akkoordje | akkoordjes |
Zelfstandig naamwoord
akkoord o
- overeenkomst.
- Na lang onderhandelen was er eindelijk een akkoord bereikt.
- (muziek) samenklank van minimaal 3 verschillende tonen.
- De muzikant sloeg een akkoord aan op de piano.
Vaste voorzetsels
- akkoord gaan met
Vertalingen
1. overeenkomst