akkoord
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ak·koord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | akkoord | akkoorden |
| verkleinwoord | akkoordje | akkoordjes |
Zelfstandig naamwoord
akkoord o
- overeenkomst.
- Na lang onderhandelen was er eindelijk een akkoord bereikt.
- (muziek) samenklank van minimaal 3 verschillende tonen
- De muzikant sloeg een akkoord aan op de piano.
Synoniemen
- [1] deal, eenstemmigheid, entente, overeenkomst
Afgeleide begrippen
- [1] handelsakkoord, loonakkoord, vredesakkoord
- [2] dominantakkoord, C-grootakkoord, majeurakkoord, mineurakkoord, onderdominantakkoord, subdominantakkoord, tonica-akkoord
Verwante begrippen
- [1] afspraak, overeenstemming
- [2] arpeggio, drieklank, interval, kwint, meerstemmigheid, samenklank, terts, vierklank, vijfklank
Vaste voorzetsels
- [1] akkoord gaan met
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: niet akkoord gaan met iets
- [2]: een gebroken akkoord
een akkoord waarvan de tonen kort na elkaar beginnen of eindigen
Vertalingen
1. overeenkomst
niet akkoord gaan met iets
|