horen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| horen | horend |
| gehoor | gehoord |
| - | hoorbaar |
Uitspraak
Woordafbreking
- ho·ren
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| horen /'hɔː.rə(n)/ |
hoorde /'hɔːr.də/ |
gehoord /ɣə.'hɔːrt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
horen
- (overgankelijk) waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
- thuishoren, behoren
Spreekwoorden
Wie niet horen wil, moet maar voelen.
- Wie geen aandacht besteedt aan hetgeen gezegd wordt, moet daar maar de gevolgen van ondervinden.
Verwante begrippen
Vertalingen
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | horen | horens |
| verkleinwoord | horentje | horentjes |
Zelfstandig naamwoord
horen m
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | horen | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
horen o
- het gehoor, het in staat zijn om te kunnen horen