horen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
horen horend
gehoor gehoord
- hoorbaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·ren
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
horen
'hɔː.rə(n)
hoorde
'hɔːr.də
gehoord
ɣə.'hɔːrt
zwak -d volledig

Werkwoord

horen

  1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden.
  2. meervoud tegenwoordige tijd van horen.
    We horen u echt wel, hoor!
  3. toekomende tijd enkelvoud en meervoud van horen.
    Jullie zullen nog wel horen wat jullie aangericht hebben!
Spreekwoorden

Wie niet horen wil, moet maar voelen.

  • Wie geen aandacht besteedt aan hetgeen gezegd wordt, moet daar maar de gevolgen van ondervinden.
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord horen horens
verkleinwoord horentje horentjes

Zelfstandig naamwoord

horen m

  1. hoorn
Persoonlijke instellingen