horen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
horen
'hɔː.rə(n)
hoorde
'hɔːr.də
gehoord
ɣə.'hɔːrt
zwak -d volledig


Lettergrepen
  • ho·ren

Werkwoord

horen;

  1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden

Spreekwoorden
  • Wie niet horen wil, moet maar voelen.
  • Wie geen aandacht besteedt aan hetgeen gezegd wordt, moet daar maar de gevolgen van ondervinden.
  • horen, zien en zwijgen.
  • 1- Je er niet mee bemoeien (volkswijsheid)
  • 2- Getuige zijn, maar er niet over praten (cynisch).

Verwante begrippen

Vertalingen


Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord horen horens
verkleinwoord horentje horentjes


Uitspraak
  • IPA: 'hɔː.rə(n)


horen m ;

  1. hoorn, verhard uitsteeksel op de kop van een dier
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen