horen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
horen horend
gehoor gehoord
- hoorbaar
Uitspraak
Woordafbreking
  • ho·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: horen
Oudnederlands: hōren
Germaans: *hauzijanan
Indo-Europees: *h₂ḱh₂owsyé-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: hear (Angelsaksisch: hȳran), Duits: hören, (Oudhoogduits: hōren), Fries: hearre (Oudfries: hēra)
Noord: Zweeds: höra, Deens/Noors: høre, (Nynorsk: høyra, Oudnoors: heyra), IJslands: heyra, Faeröers: hoyra
Oost: Gotisch: hausjan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
horen
/'hɔː.rə(n)/
hoorde
/'hɔːr.də/
gehoord
/ɣə.'hɔːrt/
zwak -d volledig

Werkwoord

horen

  1. (overgankelijk) waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
  2. (absoluut) thuishoren, behoren
Spreekwoorden

Wie niet horen wil, moet maar voelen.

  • Wie geen aandacht besteedt aan hetgeen gezegd wordt, moet daar maar de gevolgen van ondervinden.
Verwante begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord horen horens
verkleinwoord horentje horentjes

Zelfstandig naamwoord

horen m

  1. hoorn
enkelvoud meervoud
naamwoord horen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

horen o

  1. het gehoor, het in staat zijn om te kunnen horen