horen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| naamwoord van handeling | |
|---|---|
| zelfstandig | bijvoeglijk |
| horen | horend |
| gehoor | gehoord |
| - | hoorbaar |
Uitspraak
Woordafbreking
- ho·ren
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| horen 'hɔː.rə(n) |
hoorde 'hɔːr.də |
gehoord ɣə.'hɔːrt |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
horen
- waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden.
- meervoud tegenwoordige tijd van horen.
- We horen u echt wel, hoor!
- toekomende tijd enkelvoud en meervoud van horen.
- Jullie zullen nog wel horen wat jullie aangericht hebben!
Spreekwoorden
Wie niet horen wil, moet maar voelen.
- Wie geen aandacht besteedt aan hetgeen gezegd wordt, moet daar maar de gevolgen van ondervinden.
Verwante begrippen
Vertalingen
1. waarnemen met het oor zonder er noodzakelijkerwijs aandacht aan te besteden
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | horen | horens |
| verkleinwoord | horentje | horentjes |
Zelfstandig naamwoord
horen m