hoorn
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hoorn
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoorn | hoorns |
| verkleinwoord | hoorntje | hoorntjes |
Zelfstandig naamwoord
hoorn m
- een hard en meestal gebogen uitsteeksel aan de kop van verschillende dieren
- De koe had grote hoorns.
- een uitwas die op een hoorn lijkt, bijvoorbeeld bij insecten
- (biologie) een gedraaide schaal van sommige weekdieren
- Zij vonden allerlei hoorns toen ze langs het strand liepen.
- een (elektro-) akoestische versterker, bijvoorbeeld het hoor- en spreekgedeelte van een telefoon
- Hij legde de hoorn direct neer nadat hij hoorde wie er aan de telefoon was.
- (muziekinstrument) een blaasinstrument dat oorspronkelijk gemaakt werd van een hoorn, maar tegenwoordig vaak van een gewonden koperen buis met ventielen, en een brede klankbeker
- Wij kunnen wel aardig op de hoorn spelen.
Synoniemen
- [1] gewei
- [2] antenne
- [3] slakkenhuis
- [4] microtelefoon
Afgeleide begrippen
- [4] spreekhoorn
- [5] jachthoorn, orkesthoorn, posthoorn, signaalhoorn
Hyperoniemen
Verwante begrippen
- [3] koptelefoon
- [4] megafoon, spreektrompet
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hoorn | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
hoorn o
- de stof waaruit de hoorns van bepaalde dieren bestaan
- Bestaan hoorns werkelijk uit hoorn?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.