verhoren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
verhoren verhorend
verhoor verhoord
Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·ho·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van horen met het voorvoegsel ver-.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verhoren
verhoorde
verhoord
zwak -d volledig

Werkwoord

verhoren

  1. (overgankelijk) iemand onderwerpen aan indringende vragen, met name over diens rol in strafbare handelingen
    Hij werd dagenlang verhoord door de politie.
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Zelfstandig naamwoord

verhoren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord verhoor