gras

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: gräs

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gras
enkelvoud meervoud
naamwoord gras grassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gras o

  1. (plantkunde) plantenfamilie omvattende gras (zie betekenis 2), graan, rijst, bamboe
  2. bepaalde groep van soorten binnen die familie die gebruikt wordt in de tuin, op (sport)velden, in de wei...

Noot: betekenissen die tussen beide liggen zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld er bestaan tientallen soorten grassen die in de wei kunnen groeien of in Afrika

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /χrɑs/

Zelfstandig naamwoord

gras

  1. gras


Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   gras gras
  vrouwelijk   grasse grasses

Bijvoeglijk naamwoord

gras

  1. vet
Verwante begrippen


Friulisch

Zelfstandig naamwoord

gras

  1. vet