gras

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: gräs

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gras
enkelvoud meervoud
naamwoord gras grassen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

gras o

  1. (plantkunde) plantenfamilie omvattende gras (zie betekenis 2), graan, rijst, bamboe...
  2. bepaalde groep van soorten binnen die familie die gebruikt wordt in de tuin, op (sport)velden, in de wei...
    .

Noot: betekenissen die tussen beide liggen zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld er bestaan tientallen soorten grassen die in de wei kunnen groeien of in Afrika

Vertalingen

Meer informatie



Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk     gras     gras  
  vrouwelijk     grasse     grasses  

Bijvoeglijk naamwoord

gras

  1. vet
Verwante begrippen
Persoonlijke instellingen