gros

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gros
Woordherkomst en -opbouw
  • Komt van het Franse grosse, wat weer van het Oudhoogduitse groz (groot) komt.
1 enkelvoud meervoud
naamwoord gros grossen
verkleinwoord grosje grosjes

Zelfstandig naamwoord

gros o

  1. een dozijn dozijnen = 144 stuks
    Hij verkocht zijn computers bij het gros.
  2. het merendeel
    Het gros der mensen vindt dit onaangenaam.
Anagrammen
Verwante begrippen


Frans

Bijvoeglijk naamwoord

gros

  1. dik
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen