gros
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- gros
Woordherkomst en -opbouw
- Komt van het Franse grosse, wat weer van het Oudhoogduitse groz (groot) komt.
| 1 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | gros | grossen |
| verkleinwoord | grosje | grosjes |
Zelfstandig naamwoord
gros o
- een dozijn dozijnen = 144 stuks
- Hij verkocht zijn computers bij het gros.
- het merendeel
- Het gros der mensen vindt dit onaangenaam.
Anagrammen
Verwante begrippen
Frans
Bijvoeglijk naamwoord
gros