eten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- eten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| eten |
at |
gegeten |
| klasse 5 | volledig | |
Werkwoord
eten
- (overgankelijk) het nuttigen van voedsel.
- We gingen met de hele klas eten bij een pizzaria.
- meervoud tegenwoordige tijd van eten.
- Jullie eten toch altijd bij snackbar 't Frikadelletje?
- toekomende tijd enkelvoud en meervoud van eten.
- Wij zullen samen met de president gaan eten.
Vertalingen
1. het nuttigen van voedsel
Afgeleide begrippen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | eten | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
eten o
- dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden.
- Het eten was erg lekker.
- de maaltijd.
- Zij zorgt altijd voor het eten.
Vertalingen
1. dat wat iemand tot zich neemt om diens metabolisme in werking te houden
Veluws
Werkwoord
eten