heten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
heten
/'ɦe.tə(n)/
heette
/'ɦe.tə/
geheten
/ɣə.'ɦe.tə(n)/
gemengd volledig

Werkwoord

heten

  1. (koppelwerkwoord) op een bepaalde wijze genoemd zijn
    Hij heet Jan.
Vertalingen


Middelnederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden tijd voltooid
deelwoord
enkelvoud meervoud
heten hiet hieten geheten
klasse 7 volledig  

Werkwoord

heten

  1. heten
  2. opdragen, bevelen
    «Doe bat hem die coninc ende hiet
    Dat hi blidelike voere.[1]»
    Toen verzocht de koning hem en droeg hem op
    om op te monteren.
Verwijzingen
  1. 490-491 Floris ende Blancefloer