manger

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • man·ger
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
manger
/mɑ̃ʒe/
mangeais
/mɑ̃ʒɛ/
mangé
/mɑ̃ʒe/
eerste groep volledig

Werkwoord

manger

  1. eten
    «Aujourd'hui, on va manger des crêpes.»
    Vandaag gaan we pannenkoeken eten.
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen