energie
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ener·gie
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Oudgriekse ἐνέργεια (werk, daad).
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | energie | energieën |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
energie v
- het (fysiek) vermogen waarmee arbeid kan worden verricht
- Ik heb geen energie vandaag.
- het (geestelijk) vermogen waarmee denkwerk kan worden verricht
- Om langer dan een kwartier te studeren heeft hij geen energie genoeg.
- (wetenschap), (natuurkunde), (elektronica) een natuurkundig begrip van arbeidsvermogen
- Een hoeveelheid "energie" (symbool: W) wordt uitgedrukt in joule (symbool: J) of bijv. kilowattuur (kWh)
- Deze accu heeft een totale energie van 0,32 kWh.
Synoniemen
- [1] arbeidsprestatie, fitheid, kracht, prestatiedrang, prestatievermogen, werklust
- [2] geestkracht
- [3] arbeid, arbeidsvermogen
Antoniemen
- [1] doodop, futloosheid, leeg, luiheid, moe, op, vermoeidheid, uitgeblust
- [2] apathie
Afgeleide begrippen
| [3] |
Verwante begrippen
- [3] joule, kilowattuur, kracht, P, warmte, wattseconde
Vertalingen
1. het vermogen iets te doen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Tsjechisch
Zelfstandig naamwoord
energie v