kracht
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kracht
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | kracht | krachten |
| verkleinwoord | (krachtje) | (krachtjes) |
Zelfstandig naamwoord
- (natuurkunde) een uitwendige oorzaak die ongehinderd door andere krachten de bewegingstoestand van een lichaam verandert
- Volgens Newton is F gelijk aan het product m·a, waarbij F de kracht voorstelt, m de traagheid van het lichaam en a de versnelling van de beweging ervan.
- geestelijk, zedelijk en fysiek vermogen, zie levenskracht, geestkracht, veerkracht, lichaamskracht etc.
- werking, werkzaamheid
- de kracht van dit instrument om de economie bij te sturen is dus groot
- factor die invloed uitoefent, macht, vermogen
- Wij stellen vertrouwen in de kracht van de burgers om hun eigen leefomgeving in te vullen.
- werknemer, mankracht
- Wij hebben de komende jaren meer leerkrachten nodig
Verwante begrippen
- macht, moed, pit, sterkte, stevigheid
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een uitwendige oorzaak die ongehinderd door andere krachten de bewegingstoestand van een lichaam verandert
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.