dier
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- dier
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dier | dieren |
| verkleinwoord | diertje | diertjes |
Zelfstandig naamwoord
dier o
- (dierkunde) met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
Synoniemen
- [1] beest
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
- diercommunicatie, diergezondheid, dierkunde, muildierdrijver, muildierhert
- dierenarts, dierenasiel, dierendag, dierlijk, dierenmishandeling, dierenriem, dierenrijk, dierenspeciaalzaak, dierentuin, dierenvel, dierenwinkel, schaaldierendressing, schaaldierensoep
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- Gewerveld dier.
Anagrammen
Vertalingen
1. met zintuigen uitgerust meercellig organisme dat zijn energie verkrijgt uit andere dierlijke of plantaardige organismen
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Aanwijzend voornaamwoord
dier
- (verouderd) genitief vrouwelijk enkelvoud van die
- «Het huis dier vrouw.»
- Het huis van die vrouw.
- «Het huis dier vrouw.»
- (verouderd) genitief meervoud van die
- «Het gedrag dier lieden.»
- Het gedrag van die lui.
- «Het gedrag dier lieden.»
Afrikaans
Woordafbreking
- dier
Zelfstandig naamwoord
dier
Fries
Zelfstandig naamwoord
dier