wassen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wassen
waste
gewassen
1,2. gemengd volledig
Woordafbreking
  • was·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wassen
wies
gewassen
3. klasse 7 volledig

Werkwoord

wassen

  1. (overgankelijk) iets met water of een andere vloeistof zuiveren
    Het afgefilterde neerslag werd met alcohol gewassen.
  2. (wederkerend) zich ~; zichzelf met water schoonmaken
    Hij waste zich met zeep.
  3. (ergatief) (aan)groeien, stijgen, voornamelijk i.v.m. de maan of een waterloop
    De rivier wies door de plotselinge regenval.
  4. (overgankelijk) van een laag (bijen)was voorzien
    Voor hij de piste opging zorgde hij ervoor dat zijn ski's gewast werden.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wassen
waste
gewast
4. zwak -t volledig
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]
  • uit de kluiten gewassen
flink groot geworden
Vertalingen
Afgeleide begrippen
3
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen wassen

Bijvoeglijk naamwoord

wassen

  1. van was gemaakt
    Een wassen beeld.