wassen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wassen |
waste |
gewassen |
| 1,2. gemengd | volledig | |
Woordafbreking
- was·sen
Woordherkomst en -opbouw
- 1,2 schoonmaken
- van Germaans *wa(t)skan vgl. Oudhoogduits wascan
- 3 aangroeien
- van Germaans *waxsan, uit Proto-Indo-Europees *u̯egs-.
- 4 in de was zetten
- van Germaans *waxsan, uit Proto-Indo-Europees *u̯okso-, vgl. Angelsaksisch: wæx, Duits: Wachs, Noors voks en Litouws vaškas, Russisch воск.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wassen |
wies |
gewassen |
| 3. klasse 7 | volledig | |
Werkwoord
wassen
- (overgankelijk) iets met water of een andere vloeistof zuiveren
- Het afgefilterde neerslag werd met alcohol gewassen.
- (wederkerend) zich ~; zichzelf met water schoonmaken
- Hij waste zich met zeep.
- (ergatief) (aan)groeien, stijgen, voornamelijk i.v.m. de maan of een waterloop
- De rivier wies door de plotselinge regenval.
- (overgankelijk) van een laag (bijen)was voorzien
- Voor hij de piste opging zorgde hij ervoor dat zijn ski's gewast werden.
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| wassen |
waste |
gewast |
| 4. zwak -t | volledig | |
Uitdrukkingen en gezegden
- [3]
- uit de kluiten gewassen
flink groot geworden
Vertalingen
1. iets schoonmaken
2. zichzelf schoonmaken
3. groeien
Afgeleide begrippen
- 3
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | (alleen attributief) |
| verbogen | wassen |
Bijvoeglijk naamwoord
wassen
- van was gemaakt
- Een wassen beeld.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Gemengd werkwoord in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Sterk werkwoord klasse 7 in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Wederkerend werkwoord in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Stofadjectief in het Nederlands