luiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lui·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
luiden
luidde
geluid
zwak -d volledig

Werkwoord

luiden

  1. (overgankelijk) doen klinken, gewoonlijk van een bel
    Deze klok wordt zelden geluid.
  2. (inergatief) het weerklinken van het geluid van een klok
    De kerkklokken luidden toen er een dijkdoorbraak dreigde.
  3. als inhoud hebben
    Het bericht luidde eenvoudigweg: "hij is dood"; details ontbraken.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: de noodklok luiden
Vertalingen