luiden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈlœʏ̯dən/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈlœːdən/
Woordafbreking
- lui·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| luiden |
luidde |
geluid |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
luiden
- (overgankelijk) doen klinken, gewoonlijk van een bel
- Deze klok wordt zelden geluid.
- (inergatief) het weerklinken van het geluid van een klok
- De kerkklokken luidden toen er een dijkdoorbraak dreigde.
- als inhoud hebben
- Het bericht luidde eenvoudigweg: "hij is dood"; details ontbraken.
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: de noodklok luiden
Vertalingen
1. doen klinken, gewoonlijk van een bel
de noodklok luiden
|