terras

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ter·ras
enkelvoud meervoud
naamwoord terras terrassen
verkleinwoord terrasje terrasjes

Zelfstandig naamwoord

terras o

  1. (in de landbouw) een horizontaal gelegen vlakte, enerzijds begrensd door een duidelijk aflopend terrein en anderzijds door een duidelijk oplopend terrein
  2. (in de horeca), een plek van een horecagelegenheid waar klanten buiten kunnen zitten
  3. een met een horecaterras vergelijkbare plek in een tuin
  4. een plat dak waar men kan zitten, dakterras
  5. (in de geologie) een vlak deel van een berg
Vertalingen