parasol

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pa·ra·sol
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zonnescherm’ voor het eerst aangetroffen in 1651 [1]
  • afgeleid van het Latijnse sol met het voorvoegsel para- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord parasol parasols
verkleinwoord parasolletje parasolletjes

Zelfstandig naamwoord

parasol m

  1. zonnescherm
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Engels

Woordafbreking
  • pa·ra·sol

Zelfstandig naamwoord

parasol

  1. parasol m; zonnescherm