onzindelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·zin·de·lijk
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen onzindelijk onzindelijker onzindelijkst
verbogen onzindelijke onzindelijkere onzindelijkste
partitief onzindelijks onzindelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

onzindelijk [1]

  1. zijn natuurlijke behoeften niet beheersend
  2. goor, morsig
  3. met het bijhalen van niet ter zake doende elementen
    • ik vind dat een heel onzindelijke redenering 
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen