woelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • woe·len
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘zich onrustig bewegen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
woelen
woelde
gewoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

woelen

  1. inergatief onrustig bewegen
    • Het zwak licht, dat het schip verlichtte, verspreidde eene akelige, maar grootsche tint over dat afgrijslijk toneel; men zou gezegd hebben dat het duivelen waren, die in den schoot der baaren woelden om de menschen te plaagen.[2] 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. "woelen" in: Sijs, N. van der Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen. 2e druk (2002) Veen, Amsterdam / Antwerpen; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Reize in de binnenlanden van Afrika, langs Kaap de Goede Hoop, volume 3 François Le Vaillant, Ned. vertaler: Jan David Pasteur 1796