wisselen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wis·se·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wisselen
wisselde
gewisseld
zwak -d volledig

Werkwoord

wisselen

  1. inergatief veranderen
    • Hij moest van de leraar van plaats wisselen. 
  2. inergatief op een ander spoor overgaan van treinen
    • De trein moest snel wisselen. 
  3. overgankelijk het een voor het ander nemen of geven
    • Kunt u dit product voor mij wisselen? 
  4. overgankelijk groot geld ruilen voor klein geld of geld ruilen voor andere valuta
    • Ik wil graag honderd euro wisselen. Kan dat hier? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen