wisseltruc

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wis·sel·truc
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wisseltruc wisseltrucs
wisseltruken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wisseltruc m [1]

  1. door snel en chaotisch geld te wisselen iemand benadelen
    • Sparta prijst zich gelukkig met Fred Friday, de spits die voor de broodnodige goals moet zorgen in de strijd tegen degradatie. Na de grote wisseltruc tijdens de trainingskampen van AZ en Sparta in respectievelijk Estepona en Sotogrande stond de Nigeriaanse huurling gisteren voor het eerst bij trainer Dick Advocaat op het trainingsveld.[2] 
  2. bedriegen door te wisselen van plaats
    • Dronken bestuurder probeert aloude wisseltruc: Dat de agenten niet in de truc van de man trapten, kwam door een oplettende getuige. Die filmde dat de bestuurder met de bijrijder van plek wisselde en meldde dit aan de politie.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf JEROEN KAPTEIJNS 11 jan. 2018
  3. de Telegraaf 16 okt. 2017