afwisselen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wis·se·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwisselen
wisselde af
afgewisseld
zwak -d volledig

Werkwoord

afwisselen

  1. inergatief om en om plaatsvinden
    • Zonnige perioden wisselden af met lichte buien. 
  2. overgankelijk twee of meer zaken om en om laten plaatsvinden
    • We kunnen ook de vokale en instrumentale stukken afwisselen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.