omwisselen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·wis·se·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omwisselen
wisselde om
omgewisseld
zwak -d volledig

Werkwoord

omwisselen

  1. overgankelijk het één van plaats ruilen met het ander
    Hij wisselde de beide beeldjes om.
  2. overgankelijk het één ruilen voor het ander
    Hij wisselde zijn kaarten voor de voorstelling om voor kaarten voor een andere datum.
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.