Naar inhoud springen

omwisselen

Uit WikiWoordenboek
  • om·wis·se·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omwisselen
wisselde om
omgewisseld
zwak -d volledig

omwisselen

  1. overgankelijk van plaats laten ruilen met een ander
    • Hij wisselde de beide beeldjes om. 
  2. overgankelijk verruilen voor een ander
    • Hij wisselde zijn kaarten voor de voorstelling om voor kaarten voor een andere datum. 
  3. overgankelijk, (financieel) ~naar/voor chartaal geld inruilen voor een andere  valuta zn  met dezelfde waarde
    • Waar kun je euro's omwisselen voor dollars? 
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be