aidswees

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aids·wees
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aidswees aidswezen
verkleinwoord aidsweesje aidsweesjes

Zelfstandig naamwoord

aidswees v/m

  1. (medisch) kind waarvan de vader en de moeder zijn overleden door aids
    • Aanstaande zaterdag is het Wereld Aids Dag, waarbij dit jaar opgeroepen wordt tot meer solidariteit met mensen met hiv en aids. Op vrijdag wordt de campagne STOP AIDS NOW! al gestart. Die campagne richt zich deze keer op de situatie van aidsweeskinderen.[1] 
    • Dertig kilometer fietsen, met een brandende zon hoog aan de hemel. Een klein beetje afzien is het wel, maar een kniesoor die er op let. Want de inspanning is voor een goed doel: de Stichting Triple-O, een organisatie die zich inzet voor aidswezen in Kenia. Gisteren fietsten brugklasleerlingen van het St.-Canisius de jaarlijkse sponsortocht.[2] 

Gangbaarheid

Verwijzingen