verlopen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·lo·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verlopen
/vər.'lo.pə(n)/
verliep
/vər.'lip/
verlopen
/vər.'lo.pə(n)/
klasse 7 volledig

Werkwoord

verlopen

  1. (ergatief) zijn geldigheid verliezen
    Dat paspoort verloopt volgende maand.
  2. (ergatief) een neergaande lijn vertonen
    De belangstelling voor dit onderwerp verliep geleidelijk.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

verlopen

  1. niet meer geldig of niet meer van toepassing
    Een verlopen rijbewijs.
  2. in een vervallen toestand verkeren
    De nieuwe eigenaar heeft die verlopen winkel weer in oude luister hersteld.
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen