expire
Uiterlijk
| vervoeging van |
|---|
| expirer |
expire
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van expirer
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van expirer
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van expirer
| vervoeging van |
|---|
| expirar |
expire