opbloeien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·bloei·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opbloeien
bloeide op
opgebloeid
zwak -d volledig

Werkwoord

opbloeien

  1. ergatief tot bloei komen, wel gaan varen
    • De handel met Rusland was na de val van de muur opgebloeid. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.