veil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: vijl

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • veil
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord veil -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

veil o

  1. (plantkunde) Hedera helix op Wikispecies klimop
    • Een vloer van donzig mos; de doorgang wild gesierd
      Met geitenblad; het veil, dat aan de wanden zwiert, [3]
       
Hyponiemen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen veil veiler veilst
verbogen veile veilere veilste
partitief veils veilers -

Bijvoeglijk naamwoord

veil

  1. (verouderd) te koop, beschikbaar tegen geld
    «Zij was een veile deern.»
    Ze was een hoer.
  2. boosaardig, gemeen (eigenlijk: vijl)
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iets veil hebben.
Iets te koop hebben.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
veilen

veil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veilen
    • Ik veil. 
  2. gebiedende wijs van veilen
    • Veil! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veilen
    • Veil je? 

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. etymologiebank.nl
  3. A.C.W. Staring

Meer informatie