veil

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: vijl

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • veil
enkelvoud meervoud
naamwoord veil -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

veil o

  1. (plantkunde) klimop
    Een vloer van donzig mos; de doorgang wild gesierd
    Met geitenblad; het veil, dat aan de wanden zwiert, [1]
stellend
onverbogen veil
verbogen veile

Bijvoeglijk naamwoord

veil

  1. (verouderd) te koop, beschikbaar tegen geld
    «Zij was een veile deern.»
    Ze was een hoer.
  2. boosaardig, gemeen (eigenlijk: vijl)
Uitdrukkingen en gezegden
  • Iets veil hebben.
Iets te koop hebben.

Werkwoord

vervoeging van
veilen

veil

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veilen
    Ik veil.
  2. gebiedende wijs van veilen
    Veil!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van veilen
    Veil je?
Verwijzingen
  1. A.C.W. Staring