inwendig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·wen·dig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van in en de stam van wenden met het achtervoegsel -ig [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen inwendig inwendiger inwendigst
verbogen inwendige inwendigere inwendigste
partitief inwendigs inwendigers -

Bijvoeglijk naamwoord

inwendig

  1. in het lichaam bevindend
    • Hij had last van een inwendige parasiet, die operatief verwijderd diende te worden. 
  2. in de geest bevindend
    • Op dat moment was hij inwendig aan het koken. 
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen