trillen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
trillen trillend
trilling getrild
Uitspraak
Woordafbreking
  • tril·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trillen
trilde
getrild
zwak -d volledig

Werkwoord

trillen

  1. (inergatief) snel heen een weer bewegen
    De snaar trilde totdat de harpist deze met zijn hand afdempte.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie