Naar inhoud springen

trillen

Uit WikiWoordenboek
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
trillentrillend
trillinggetrild
  • tril·len
  • In de betekenis van ‘beven’ voor het eerst aangetroffen in 1434 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trillen
trilde
getrild
zwak -d volledig

trillen

  1. inergatief snel heen een weer bewegen
    • De snaar trilde totdat de harpist deze met zijn hand afdempte. 

trillen

  1.  Ik stond te trillen op mijn benen.[3]
     Zijn armen en benen beginnen te trillen van de inspanning en van, vermoedelijk, de angst.[4]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. "trillen" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. trillen op website: Etymologiebank.nl
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be