vibreren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·bre·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘trillen’ voor het eerst aangetroffen in 1824 [1]
  • afgeleid van het Franse vibrer (met het achtervoegsel -eren) [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vibreren
vibreerde
gevibreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

vibreren [3]

  1. absoluut trillen, in staat van trilling verkeren
    • De snaar vibreerde nog totdat de speler hem dempte. 
  2. inergatief met vibrato spelen of zingen
  3. overgankelijk doen trillen of trillend bewerken
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen