vibreren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vi·bre·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vibreren
vibreerde
gevibreerd
zwak -d volledig

Werkwoord

vibreren [2]

  1. absoluut trillen, in staat van trilling verkeren
    De snaar vibreerde nog totdat de speler hem dempte.
  2. inergatief met vibrato spelen of zingen
  3. overgankelijk doen trillen of trillend bewerken
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal