shake

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Engels

vervoeging
onbepaalde wijs to shake
he/she/it shakes
verleden tijd shook
voltooid
deelwoord
shaken
onvoltooid
deelwoord
shaking
gebiedende wijs shake

Werkwoord

shake

  1. schudden
    «He shook the bottle before opening.»
    Hij schudde de fles alvorens deze te openen.
  2. schokken
    «The sudden explosion left him shaken
    De plotselinge ontploffing liet hem geschokt achter.