kloppen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
1. Daar wordt op de deur geklopt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klop·pen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hoorbaar op iets slaan’ voor het eerst aangetroffen in 1276 [1]
  • [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kloppen
klopte
geklopt
zwak -t volledig

Werkwoord

kloppen

  1. inergatief hoorbaar tegen of op iets slaan
    • Daar wordt op de deur geklopt. 
  2. inergatief voel- of hoorbaar bewegen
    • Zijn hart klopt. 
  3. absoluut in orde zijn, correct zijn
     ‘Er staat bijvoorbeeld dat we failliet gaan’, zegt Atasoy. ‘Dat is aantoonbaar onjuist. We hebben de rechter ook laten zien dat het niet klopt. Dan moet dat toch uit het rapport geschrapt worden?’[3]
  1. overgankelijk door slaan in een bepaalde toestand brengen
    • Slagroom kloppen. 
  2. overgankelijk verslaan in een wedstrijd
    • Hij werd in de tweede ronde geklopt. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

kloppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klop

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen