kloppen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klop·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kloppen
klopte
geklopt
zwak -t volledig

Werkwoord

kloppen

  1. inergatief hoorbaar tegen of op iets slaan
    • Daar wordt op de deur geklopt. 
  2. inergatief voel- of hoorbaar bewegen
    • Zijn hart klopt. 
  3. absoluut in orde zijn, correct zijn
    • Dit resultaat klopt met onze verwachtingen. 
  4. overgankelijk door slaan in een bepaalde toestand brengen
    • Slagroom kloppen. 
  5. overgankelijk verslaan in een wedstrijd
    • Hij werd in de tweede ronde geklopt. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl

Zelfstandig naamwoord

kloppen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord klop

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie