triade

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tri·a·de
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Griekse 'trias' (2e nv. triados) (het getal drie, drietal) met het voorvoegsel tri- [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord triade triades
verkleinwoord triadetje triadetjes

Zelfstandig naamwoord

triade v

  1. drie personen of zaken die bij elkaar horen
  2. (religie) drie goden of goddelijke personen
  3. (scheikunde) drie elementen van het periodiek systeem die bij elkaar horen
  4. (psychologie) een driehoeksrelatie
  5. een Chinese criminele organisatie
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl