trammen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tram·men

Zelfstandig naamwoord

trammen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord tram
Synoniemen

Gangbaarheid

64 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.