tet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tet
Woordherkomst en -opbouw
  • v: Hebreeuws: טֵי״ת (tet)[1] [2]
  • m / v: herkomst: Indo-Europees, precieze oorsprong onzeker, maar vermoedelijk te maken met 'zuigen'. Engels tit, Saterfries Tit, Noord-Nederlands tiet, Duits Zitze, Titte, Zweeds tutte, Latijn titta, Italiaans tetta, Frans tette, Spaans en Portugees teta, Roemeens țâță, Russisch ти́тька ‎(títʹka), Oekraïens ци́цька (cýcʹka) Pools cyc, Tsjechisch cecek, Bulgaars ци́ца ‎(cíca).
v enkelvoud meervoud
naamwoord tet tets
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tet v

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) negende letter van het alfabet
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) getal negen
Verwante begrippen
m / v enkelvoud meervoud
naamwoord tet tetten
verkleinwoord tetje tetjes

Zelfstandig naamwoord

tet m / v

  1. (informeel) (Vlaanderen) borst, tiet
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Verwijzingen