surfen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Surfen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sur·fen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
surfen
surfte
gesurft
zwak -t volledig

Werkwoord

surfen

  1. inergatief (sport) door de golfenergie voortbewogen worden, bijvoorbeeld op surfplanken of met boten, golfsurfen
    • Er wordt daar vaak gesurft als er grote golven zijn. 
  2. inergatief (informatica) zich op het internet begeven
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl