surfen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] Surfen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sur·fen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
surfen
surfte
gesurft
zwak -t volledig

Werkwoord

surfen

  1. (inergatief) (sport) door de golfenergie voortbewogen worden, bijvoorbeeld op surfplanken of met boten, golfsurfen
    Er wordt daar vaak gesurft als er grote golven zijn.
  2. (inergatief) (informatica) zich op het internet begeven
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl