internetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·ter·net·ten
Woordherkomst en -opbouw
  • Verbalisering van het zelfstandig naamwoord internet.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
internetten
internette
geïnternet
zwak -t volledig

Werkwoord

internetten

  1. inergatief gebruik maken van het internet
    • Hij had de hele regenachtige middag geïnternet. 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
internetten

internetten

  1. meervoud verleden tijd van internetten
    • Wij internetten. 
    • Jullie internetten. 
    • Zij internetten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.